Simpelweg op Orde

Kerkorde


Bronnen:
-http://www.pkn.nl/Lists/PKN-Bibliotheek/Kerkorde-en-ordinanties-compleet.pdf

-De Nieuwe Bijbelvertaling.

-Toelichting op de kerkorde van de protestantse Kerk in Nederland, herziene uitgave.

-Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e herziene uitgave.

-Fockema Andrae's juridisch woordenboek.
-http://www.protestantsekerk.nl/Lists/PKN-Bibliotheek/Kerkorde-en-ordinanties-compleet.pdfBronnen.

-Toelichting op de kerkorde van de protestantse Kerk in Nederland, herziene uitgave.

-Ouderlingenblad Pastoraat en Gemeenteopbouw, Oktober 2014, nummer 1052, Jaargang 92.


Deel 1

In deze serie wordt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland leesbaar en toegankelijk onder uw aandacht gebracht. In de serie gebruiken we de kerkorde van de PKN zelf en de toelichting daarop. In de eerste afleveringen gaat het vooral om de bronnen en het waarom van een kerkorde. Ook de manier waarop de kerkorde van de PKN is ontstaan en in 2004 van kracht is geworden bespreken we. In 2013 zijn er veel wijzigingen aangebracht. De redenen daarvoor krijgen aandacht.
Elk artikel wordt afgesloten met een vraag aan u. De reacties op die vragen gebruiken we om volgende artikelen vorm en inhoud te geven.
De Dikke van Dale geeft veel betekenissen van het woord 'orde'. Het betekent onder andere; 'Geregelde wijze van doen en leven'. Het juridisch woordenboek geeft bij de religieuze orde (in de RK Kerk) aan dat het gaat om een gemeenschap waarin de leden volgens geldende regels naar evangelische volmaaktheid streven. De schrijvers van de toelichting grijpen terug op Paulus die in 1 Korintiërs 12 en 14 spreekt over de orde in de kerk en daar uitleg over geeft. Paulus geeft aan dat door de gaven van de Geest alles en iedereen een plaats heeft in de gemeente en hij sluit af met: 'Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren'.
In 2004 werd de vereniging van de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden een feit. Zij gaan voort als de Protestantse Kerk in Nederland. Dit voortgaan houdt in dat het geen ophouden van drie tradities en het starten van een geheel nieuwe traditie betreft. De Kerk, dat is de Kerk van Christus. De PKN is daar een onderdeel van. Tot zover dit eerste artikel.
We hopen dat uw belangstelling gewekt is.


Deel 2

De kerkorde kan gelezen worden als de grondwet van de PKN. Maar wel in het licht van geloof en belijden en niet vergelijkbaar met onze Nederlandse Grondwet. Je zou kunnen zeggen dat de Nederlandse Grondwet een 'onafhankelijkheidsverklaring' is terwijl de kerkorde een 'afhankelijkheidsverklaring' is, we zijn afhankelijk van de gaven van de Geest.
De kerkorde is een belijdend stuk waarin fundamentele regels gegeven worden voor leven en werken van de Kerk van Christus. De kerkorde biedt ons een inrichting die ons in staat stelt om rondom Woord en sacrament gemeente van Christus te zijn.
De kerk verstaat zichzelf als een eenheid, de eenheid die nodig is om het doel te bereiken. Dit doel is dat de wereld erkent dat God Jezus heeft gezonden als redder. Die eenheid is niet vanzelfsprekend. In de toelichting staat dat de eenheid met elkaar niet minder een wonder is dan de eenheid met de Heer. Ook staat er dat de leden met hun verscheidenheid samen een lichaam vormen dat in de wereld kan functioneren.
De kerkorde is het fundament onder dat functioneren van de kerk. In het verlengde van de kerkorde zijn er de ordinanties. Dan zijn er nog de generale regelingen. De ordinanties kunnen als het gebouw gezien worden dat op het fundament staat. De ordinanties geven algemeen bindende regels voor de kerk en de gemeenten.
Met de generale regelingen worden de ontbrekende details ingevuld. Omdat elk gebouw wel eens gerepareerd moet worden zijn er ook nog 'uitspraken van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen'. Een gebouw dat niet gebruikt wordt heeft geen functie, het is er voor zijn gebruikers. Wij, de kerk en de gemeenten zijn de gebruikers van de kerkorde en geven het zijn nut.


Deel 3

In de jaren vóór 2004 is zo goed mogelijk vorm gegeven aan het voortgaan van de drie genoemde tradities in één kerkorde. Het beste van drie tradities is samengebracht.
In de kerkorde is ook duidelijk aangegeven dat de geschriften uit deze tradities ten volle erkent worden als geschriften waarop ook de PKN, als voortzetting daarvan, zich baseert.
Na 2004 wordt duidelijk dat er wel zaken beter kunnen. Na een evaluatie in 2008 volgt in 2009 het rapport 'De kerkorde bij de tijd'. Dit en enkele andere zaken hebben tot wijzigingsvoorstellen geleid die zijn voorgelegd aan de classicale vergaderingen, Daarna zijn ze vastgesteld door de generale synode.
En in 2013 is de gewijzigde kerkorde van kracht geworden. Samengevat kunnen we stellen dat in goed overleg de kerkorde passend is gemaakt voor de kerk van nu.
Deel I van de kerkorde gaat over de roeping van kerk en gemeente, deel II over het leven van gemeente en kerk. Bij de roeping gaat de kerk voorop en bij het leven de gemeente. Als het over de kerk gaat dan gaat het over de saamhorigheid van de gemeenten en als het over de gemeenten gaat dan kan dat alleen wanneer de samenhang met andere gemeenten en de meerdere vergaderingen in het oog wordt gehouden.
Deel III van de kerkorde gaat over hoe deze wordt vastgesteld en gewijzigd. Om het onderscheid aan te geven wordt de Kerk van Christus steeds met een hoofdletter 'K' geschreven, de Kerk met een kleine letter 'k' is de kerk waarover de kerkorde gaat.

Deel 4

In deze serie wordt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland leesbaar en toegankelijk onder uw aandacht gebracht.
Artikel 1 van de kerkorde begint met onze naam; 'De Protestantse Kerk in Nederland'. Er is voor 'protestant' gekozen omdat de tradities die voortgaan in de PKN zich daarin kunnen herkennen en vooral omdat het 'getuigen' betekent. Met deze naam geven we aan waar we voor staan en wat onze opdracht is. Het 'in Nederland' is toegevoegd om aan te geven waar we onze opdracht uitvoeren. Het houdt niet in dat we een nationale kerk zijn. Dat zijn we ook niet, we maken deel uit van de Algemene Christelijke Kerk en die bestaat wereldwijd.
In dit zelfde artikel staat dat de kerk zich uitstrekt naar het koninkrijk Gods. We doen dit 'delend in de aan Israël geschonken verwachting'. Dit wil zeggen dat we onze oorsprong vinden in het Israël zoals we dat kennen uit de Heilige Schrift. Onze identiteit is daarmee bepaald. De wortels van ons geloof liggen in het Israël dat we kennen uit de Bijbel.
Het tweede en derde lid geven aan dat we leven uit Gods genade en dat we zijn betrokken in Gods toewending tot de wereld.
In die wetenschap horen wij het woord en dragen het uit, dat is onze opdracht. Wat we horen en wat we spreken, is wat de Heilige Schrift ons leert. Het is de taak van de kerk door verkondiging en dienst de wereld te laten delen in die toewending. Hiermee beantwoorden we Gods toewending tot ons, met onze toewending tot God.
Voor de verkondiging lezen we 'apostolaat' en voor dienst 'diaconaat'. Die twee zaken ontstaan uit de toewending tot God. Apostolaat en Diaconaat zijn ook nauw verbonden met ons belijden. Het komt rechtstreeks uit de Heilige Schrift. De Heilige Schrift is de bron voor ons belijden en bevat ook de norm daar voor.

Deel 5

In nr. 4 is aangegeven dat de Heilige Schrift bron en norm is voor het belijden. In het vierde lid van artikel 1, staan de belijdenisgeschriften van de drie tradities die voortgaan in de PKN. Lid 4 begint met:'het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'.
Het is goed om die verbondenheid met het voorgeslacht mee te wegen in de zoektocht naar ons eigen belijden nu. Wat bewoog hen toen en wat beweegt ons nu. In ieder geval herkent de kerk in die oude geschriften het geloof in de drie-enige God. Belijdenisgeschriften zijn traditievormend, zij vragen latere geslachten in te stemmen. De traditie kan ook doorbroken worden.

Melanchton, een vriend van Luther, herschreef de Augsburgse confessie om met de Calvinisten in gesprek te kunnen gaan. De catechismus van Luther gaat over de Tien Geboden, de Apostolische geloofsbelijdenis, het Onze Vader, de sacramenten en de biecht. In dit belijden is de PKN verbonden met de lutherse traditie. De verbondenheid met de gereformeerde traditie blijkt uit het opnemen in de kerkorde van vier belijdenisgeschriften.
De Heidelbergse catechismus (1563) is de bekendste. Je vraagt je af hoe deze stromingen kunnen samengaan. Ze hebben zich afgescheiden van de kerk van Rome en daarna scheiden ook de Lutheranen en Calvinisten zich.
In de twintigste eeuw ontstond de oecumenische beweging. Er ontstonden gezamenlijke leergesprekken. In 1973 verklaarden de kerken dat wat hen bindt voldoende is om elkaar te erkennen. De aanwezige spanningen in tradities hebben geen kerkscheidende betekenis. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden en de Remonstrantse Broederschap (helaas in de jaren negentig weer afgehaakt) gingen samen op weg omdat het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie zwaarder weegt dan dat wat hen heeft gescheiden.
Vanuit dit verleden is lid 6 van artikel 1 springlevend en actueel. De kerk in onze samenleving is het teken van Gods genadige toewending. De kerk belijdt dat Jezus Christus Heer en verlosser is van de wereld. Dit belijden komt tot uiting in vieren, spreken en handelen. De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken.

Deel 6

Nummer 5 sloot af met: 'Belijden komt tot uiting in vieren, spreken en handelen. De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken.
'Die kerk met een kleine 'k', dat is de PKN. Wij, de Protestantse Gemeente te Meppel, zijn daar deel van. Wij zijn een 'gemeente' als bedoeld in art. III, lid 1. God spreekt ons door zijn Woord aan en wijst ons in navolging van Jezus Christus, hoe te dienen in woord, daad en gemeenschap.
De 'kerk' is in de 'gemeente' zichtbaar, daar gebeurt het. Spreken we over de kerk dan spreken we over de gemeenten, zij zijn de kerk. Gemeenten komen uit verschillende tradities. (zie nr. 5) Ook is er ruimte voor nieuwe vormen van gemeente zijn.
Let op! De kerk is binnen het geheel van de PKN nooit het gebouw, alleen een gemeente kan een gebouw hebben. Met zichtbaar zijn gaat het niet om het in het oog springende gebouw van de gemeente maar om het in het oog springende handelen van de gemeente.
Gemeente ben je als je leden hebt van wie; 'de inlijving in de gemeenschap van de Kerk (Kerk van Christus met een 'K':JG) is bekrachtigd door de heilige doop en die als zodanig zijn ingeschreven als lid van de gemeente.'
Wie tot een gemeente behoort, behoort tot de PKN. De leden van alle gemeenten staan in een register omdat de kerk geen verband van losse gemeenten is. Wie gedoopt is, is lid en de doop roept op tot het belijden van Jezus Christus en vraagt om het nemen van verantwoordelijkheid voor de gemeente. Met dit belijden is niet bedoeld de 'openbare geloofsbelijdenis'.
Het Belijden begint met de doop en loopt als een rode draad door kindernevendienst, catechese, gespreksgroepen en keuzes die je maakt.
Omdat Gods genade en zijn verbond geen grenzen kent en niet begrenst, kunnen ook niet gedoopten lid zijn van de gemeente.
Denk aan de kinderen van gedoopte gemeenteleden en anderen die blijk geven van verbondenheid. De kerk is geen gesloten gemeenschap. Alle leden, heel de gemeente, alle gemeenten samen, heel de PKN, zijn geroepen tot de dienst aan het woord van God.

Deel 7

In deze "simpelweg op orde" iets over het ambt en met name dat van predikant en diens plaats in de gemeente.
Het ambt behoort in het algemeen aan de gemeente. Het is 'het van Christuswege gegeven openbare ambt van Woord en Sacrament dat dient om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren'.
De kerk kent in art. V-1 drie ambten, dat van predikant, ouderling en diaken. Er is sprake van wisselwerking tussen ambt en gemeente. In de drie ambten verwijst de gemeente naar het Woord (predikant), naar de gemeenschap (ouderling) en naar de dienst (diaken). Dit is een verwijzing naar Christus. Binnen de ambten is er geen gezagsverhouding, het ene ambt heerst niet over het andere. De leiding in de kerk is toevertrouwd aan de ambtelijke vergaderingen, in de gemeente is dat de kerkenraad, in de landelijke kerk is dat de synode.
Predikant en gemeente hebben geen werkgever-werknemer verhouding. Een predikant kan zijn ambt in vrijheid uitoefenen. Er zijn wel afspraken gemaakt over de verdeling van het werk binnen de gemeente.
De predikant hoeft niet als een ondernemer zijn eigen inkomen te regelen. Binnen de PKN bestaat een centrale regeling voor de arbeidsvoorwaarden van de predikant. Ook is (in 2012) afgesproken dat kerkenraden tenminste één keer per jaar een gesprek met de predikant voeren over het werk in de gemeente.
De predikant is verplicht om zichzelf voortdurend bij- en na te scholen. De onderwerpen worden in overleg met de kerkenraad gekozen. De scholing draagt bij aan de verdieping en de activiteiten van de gemeente. Zo beschreven lijkt de wisselwerking tussen gemeente en ambt wel wat “verzakelijkt” maar de rechtspositie is maar een deel van het geheel.
Na dat de kerkorde de gezamenlijkheid van de ambten heeft benadrukt geeft zij aan dat: “De predikanten in het bijzonder zijn geroepen tot de bediening van Woord en sacramenten, de verkondiging van het Woord in de wereld, de herderlijke zorg en het opzicht en het onderricht en de toerusting”. (Art. V-3) Met dit voor ogen wordt een predikant beroepen door de gemeente.


Deel 8

In deze serie wordt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland leesbaar en toegankelijk onder uw aandacht gebracht. Deze 'simpelweg op orde' gaat over het ambt van de ouderlingen en hun plaats in de gemeente. De kerkorde benadrukt de gelijkwaardigheid van de ambten. Er is geen hiërarchie. In art. V lid 3 is geen rangorde aangebracht maar gekozen voor een volgorde die aansluit bij de volgorde van Woord, gemeenschap (ouderlingen) en dienst. (zie nr.7)

In artikel V lid 2 staat: 'De ambtsdragers zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente in de wereld door zorg te dragen voor
de dienst van Woord en sacramenten,
de missionaire, diaconale en pastorale arbeid,
de geestelijke vorming,
het opzicht,
het rentmeesterschap over de vermogensrechtelijke aangelegenheden en andere arbeid tot opbouw van de gemeente.'


Dit wordt in lid 3 herhaald bij de predikant ,de ouderlingen en de diakenen. Het gemeenschappelijke is essentieel. Het Woord en sacramenten is als taak toevertrouwd aan de bevestigde predikant. De (overige) taken zijn niet typisch voor één van de ambten, ze hangen samen en behoren tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie ambten. (M.u.v. 'het opzicht', daar kom ik in een volgend nr. op terug.)

Lid 3 zegt van de ouderlingen:
'De ouderlingen zijn in het bijzonder geroepen tot
de zorg voor de gemeente als gemeenschap,
het dragen van medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten,
de herderlijke zorg en het opzicht en de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire roeping en zij die daartoe zijn aangewezen
bovendien tot de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van niet-diaconale aard.'

De zorg van de ouderling gaat uit naar de gemeente als gemeenschap. De gemeenschap als antwoord op Gods genade. Geestgenoten die door de Heer zijn aanvaard, aanvaarden elkaar. De zorg van ouderlingen gaat uit naar hoe mensen leven met het Woord. De wereld moet iets merken van herderlijke handen die vanuit de omgang met Christus worden toegestoken.
De ambten kennen een eigen invulling ten opzichte van elkaar en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid naar de gemeente.
De ouderlingen dragen medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten. Dit wordt zichtbaar in de handdruk aan begin en einde van de dienst.

Deze keer niet meegelezen door ds. Wiert Sarolea i.v.m. zijn studieverlof.


Deel 9

In deze serie wordt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland leesbaar en toegankelijk onder uw aandacht gebracht.
Deze 'simpelweg op orde' gaat verder over het ambt van de ouderlingen en met name over de ouderlingen die 'zijn aangewezen tot de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente', de kerkrentmeesters.
In de kerkorde wordt het onderdeel over de ouderlingen er mee afgesloten. De uitwerking van de taak van de kerkrentmeesters ligt vooral in de ordonnanties vast. Dat het in art. V-3 bij de beschrijving van de taken van de ouderlingen is opgenomen heeft een reden. Het uitgangspunt is dat bestuur en beheer in één hand liggen. De ambtelijke vergadering draagt hiervoor verantwoordelijkheid. Ook geld is in de kerk een geestelijke zaak.
Het ouderlingenblad van november 2014 wijdt er een heel artikel aan.
Dit begint zo: 'Natuurlijk zijn administraties en kostenplaatjes niet de kern van de kerk, maar omgaan met geld is toch -minstens in de kerk- een heilige zaak.' De samenhang tussen administratie en pastoraat komt i.n dit artikel tot uiting in de passage;'Vrijwilligers die hun kostbare tijd aan bezoekwerk besteden willen wel de goede gegevens ontvangen'
Het mag duidelijk zijn dat binnen de kerkenraad 'de missionaire, diaconale en pastorale arbeid,de geestelijke vorming,het opzicht en het rentmeesterschap' hand in hand moeten gaan, wil deze vergadering haar verantwoordelijkheid ten volle kunnen dragen.
In het ouderlingenblad staat het zo: 'Geld als aandachtsveld is ook een zaak van beleidsplannen. Zonder financiële paragraaf blijven de plannen gemakkelijk luchtkastelen in plaats van inspirerende dromen.'

De kerkorde kent niet meer dan drie ambten, kerkrentmeesters zijn dan ook ouderling als de anderen. Zij zijn geroepen tot dezelfde taken en (bovendien) indien daartoe aangewezen tot de verzorging van het vermogensrechtelijke. Wel kunnen ze op hun verzoek, wanneer de beheerstaak omvangrijk is, vrijgesteld worden van het toerusten van de gemeente en van de herderlijke zorg, niet van de andere taken. Nr. 10 gaat over het ambt van diaken.

John van der Graaf, meegelezen door ds. Wiert Sarolea.

Deel 10

Het diaconaat is het derde maar niet het laatste ambt. Het diaconaat moet als wezenskenmerk van de gemeente, ter wille van de eenheid, in een adem met het vieren en spreken worden genoemd. Bij de dienst aan het Woord van God is het diaconaat niet een segment van de kerkelijke arbeid.
Diaconaat behoort net als zending en pastoraat tot het wezen van de gemeente. Ze zijn geïntegreerd in de Gemeenteopbouw. De verantwoordelijkheid van de diakenen lezen we in art. V-3:
De diakenen zijn in het bijzonder geroepen tot...
• de dienst aan de Tafel van de Heer en het inzamelen en uitdelen van de liefdegaven,
• de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in gemeente en wereld,
• de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar diaconale roeping
• de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van diaconale aard.

De Tafel van de Heer staat voorop omdat daar de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid haar oorsprong vindt. Geloven is nooit alleen een innerlijk gebeuren het is ook zichtbaar in de daad.
Zowel naar binnen als naar buiten, dichtbij en ver weg, in de kerk en in de wereld is de gemeente geroepen tot barmhartigheid en gerechtigheid.
In het diaconale werk liggen het geven van hulp en het opkomen voor hen die hulp nodig hebben dicht bij elkaar.
Omzien naar mensen die onrecht lijden, maakt dat er aandacht is voor structuren die dit onrecht in stand houden. Dit is niet alleen een taak van diakenen maar van heel de gemeente. Helpen waar geen helper is en getuigen van Gods gerechtigheid waar onrecht heerst. Hierin bestaat en handelt de gemeente in de navolging van Christus. Toerusting hiertoe is ook een diaconale taak.
Samen met predikant en ouderlingen vormen de diakenen een eenheid van drie ambten die gezamenlijk met andere diensten de gemeente bij het heil bepalen en bij haar roeping in de wereld bewaren.



Deel 11

Nummer 10 sloot af met: 'Samen met predikant en ouderlingen vormen de diakenen een eenheid van drie ambten die gezamenlijk met andere diensten de gemeente bij het heil bepalen en bij haar roeping in de wereld bewaren.'
De andere diensten omvatten in de orde van de kerk als zodanig aan te duiden bedieningen en functies, die in samenwerking met de ambtsdragers worden uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente. (art. V-6)
De andere diensten zijn geen ambten maar staan er mee in verbinding. Het gaat hier om werkzaamheden die in opdracht van de kerkenraad worden uitgevoerd door kerkelijk werkers die niet in het ambt staan en door administratief en technisch ondersteunend personeel.
Zij worden op een bijzondere wijze aan de gemeente verbonden door ingeleid te worden in hun werk in een kerkdienst waarin zij ook een gelofte afleggen (Ord. 3-13a).
Ook de kerkmusicus kan in de bediening worden gesteld. Het inleiden in de gemeente en het afleggen van de gelofte door hen die in de andere diensten zijn gesteld heeft o.a. te maken met het gegeven dat ook voor hen een geheimhoudingsplicht geldt.
Bij een arbeidsovereenkomst is dit ook daarin vastgelegd. Het voorstellen en inleiden in de gemeente levert ook een bijdrage aan het als gemeente gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor alle handelingen van de gemeente. Wat hierover in de kerkorde staat geldt ongeacht of het om iemand gaat in betaalde dienst of om een vrijwilliger.

In ord. 3 art. 13a staat het zo: 'Zij leggen daarbij de belofte af dat zij
• bereid zijn in het werk van hun bediening te getuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden van de kerk;
• bereid zijn ijverig en trouw hun arbeid te verrichten en • bereid zijn zich te onderwerpen aan de regels die in de orde van de kerk zijn gesteld.'

Dit klinkt zwaar maar denk aan een koster die het visitekaartje van de kerk (gemeente) is. Zou deze de belofte op één van deze drie punten breken, dan zou er geen sprake kunnen zijn van een 'visitekaartje'. Dit geldt ook voor de medewerkers van een kerkelijk bureau en voor een kerkmusicus.


Deel 12

Met dit nummer over het ambt en de ambtelijke vergaderingen sluiten we deel 1, 'De roeping van kerk en gemeente', af.
Zoals gezegd kent de PKN geen hiërarchie. Art. VI begint met: 'Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding in de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.' Niemand heeft in de kerk alleenheerschappij. De ene ambtsdrager kan geen macht laten gelden tegenover de andere. Met 'leiding' wordt dan ook geen 'regeren' bedoeld, wat dicht tegen 'besturen' aanligt, maar het wordt toegepast op gemeenteopbouw.
Dit leidinggeven vindt plaats in een collegiaal beraad waarbij de drie ambten gemeenschappelijk verantwoordelijk zijn voor het geheel.

De ambtelijke vergaderingen zijn: 'voor de gemeente de kerkenraad;
voor de tot een classis behorende gemeenten de classicale vergadering;
voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen bovendien de evangelisch-lutherse synode;
voor alle gemeenten tezamen en mitsdien voor de gehele kerk de generale synode.'


Het loopt van plaatselijk via regionaal naar landelijk. Gemeenten hebben met elkaar te maken en hun zelfstandigheid wordt begrenst door het samen kerk zijn. De classis verbindt de gemeenten met de landelijke kerk. De classis wordt gevormd door de afgevaardigden uit de kerkenraden van de aangesloten gemeenten. De generale synode bestaat uit afgevaardigden van de classis. Afgevaardigden nemen deel aan de meerdere vergadering als ambtsdrager met eigen verantwoordelijkheid, zonder last of ruggespraak.
Dat er geen hiërarchie is blijkt ook uit art VI-11: 'In de meerdere vergaderingen zullen alleen zaken worden behandeld die naar de orde van de kerk tot het werk van de meerdere vergaderingen behoren, dan wel die in de mindere vergaderingen niet kunnen worden afgedaan'. M.a.w. wat de kerkenraad zelf kan doen dat doet ze zelf maar…' de kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.'
Er is een heen en weer gaande beweging tussen kerkenraad en gemeente. Het horen van de gemeente helpt de kerkenraad om te komen tot gedragen besluiten.

John van der Graaf, meegelezen door ds. Wiert Sarolea

Deel 13

Met dit nummer beginnen we aan deel II van de kerkorde.  De eerste 12 nummers gingen over Deel I, 'De roeping van kerk en gemeente'.
Deel II gaat over 'Het leven van gemeente en kerk'. Het geheel (de kerk) gaat vooraf aan de delen (de gemeenten). Bij de roeping gaat de kerk voorop en bij het leven de gemeenten. Er bestaat tussen beide een organisch heen en weer. Wanneer er in de kerkorde over de kerk gesproken wordt, gaat het over de saamhorigheid van de gemeenten en wanneer er over de gemeenten gesproken wordt, kan dit niet zonder dat de samenhang met andere gemeenten en de meerdere vergaderingen in het oog gehouden wordt.
Het begrip 'meerdere vergaderingen' is eerder aan de orde geweest en verdient nog enige toelichting. Bedoeld wordt niet dat de meerdere vergadering 'de meerdere' is maar bedoeld wordt dat in deze vergadering meerdere gemeenten samenkomen.
In de Protestantse Gemeente Meppel is de Algemene kerkenraad de meerdere vergadering van de beide wijkkerkenraden Stad en Landen en het Erfdeel. Dit terzijde.
In het tweede deel staat de gemeenschap centraal. Het accent ligt op het leven en daarom gaat de gemeente voorop. De gemeente wordt vergaderd rond het Woord en sacramenten die hoorbaar en zichtbaar het heil verkondigen.
De gemeente is door Christus samengevoegd tot één lichaam waardoor er een gemeenschap ontstaat die begiftigd wordt met gaven van de Geest tot opbouw van de gemeente. Het horen van het Woord roept op tot het te doen en de gemeenschap heeft een sociale dimensie die leidt tot de inzet voor anderen.
In dit deel over het leven van de gemeente gaat de eredienst voorop (art. VII).
Dan volgen de artikelen over de heilige doop en het heilig avondmaal.
Na deze artikelen over het Woord en de sacramenten volgt het artikel over de missionaire, diaconale en pastorale arbeid. De volgorde is dezelfde als in artikel IV-1.
Deze drie vormen een eenheid, het diaconaat is missionair en pastoraal en het missionaire is pastoraal en diaconaal. Deze drie geledingen van gemeenteopbouw bestaan niet zonder elkaar.  Het volgende nummer gaat dieper in op de eredienst.
John van der Graaf,
(Deze keer vanwege zijn vakantie niet meegelezen door ds. Wiert Sarolea.)

Deel 14

Het leven van gemeente en kerk begint met de eredienst. De eredienst vormt het centrum van de gemeente. Het horen en verkondigen van het Woord is het eerste element van de eredienst. Over het tweede element, de bediening en viering van doop en avondmaal schrijf ik later meer. De ontmoeting met- en het gedenken van de daden van God in Christus vormen de grond voor de eredienst die we vieren met lofzang en gebed. Dat is het derde element. Het vierde element wordt gevormd door de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid, het diaconaat. Vier elementen met een gelijk accent.
De gemeente komt samen tot boete-, dank- en gebedsdiensten, leerdiensten, trouwdiensten en diensten van rouwdragen en gedenken. Deze erediensten zijn op zondagen en kerkelijke feest en gedenkdagen (ord. 5). Op andere dagen kunnen kerkdiensten zijn zoals de bidstond en de dankstond voor gewas en arbeid en op oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen.
Daarnaast kent de kerk dagelijkse getijdendiensten met lofprijzing en gebeden. Deze zijn niet voorgeschreven, het gaat dan om de heiliging van het leven van elke dag.
De eredienst moet worden geleid door aangewezen voorgangers. Dit is voorbehouden aan hen die daartoe zijn geroepen, over de benodigde gaven beschikken en een gerichte opleiding hebben gevolgd. Dit zijn o.a. onze predikanten en voorgangers met een preekconsent, deze laatsten mogen geen sacramenten bedienen (doop en avondmaal).
De kerkenraad belegt de kerkdiensten en is verantwoordelijk voor de inrichting. Ze mag daarbij niet voorbijgaan aan de bijzondere verantwoordelijkheid van de predikant en de kerkmusicus. Er moet sprake zijn van gezamenlijkheid, van overeenstemming.
Om de eenheid in de kerk met haar veelkleurige gemeenten te bewaren worden door de Generale synode aangewezen; de bijbelvertalingen die gebruikt kunnen worden in de eredienst, aangeboden; Het psalm- en gezangboek (De zingende gemeente krijgt geen beperking opgelegd, het Liedboek vormt de hoofdlijn.) vastgesteld; Het dienstboek met orden van dienst. (Hierin staan een meervoud aan orden waartussen gekozen kan worden, voor eigen invulling van t eksten is geen ruimte. Met name niet waar het de sacramenten betreft.)


Deel 15

Artikel VIII van de kerkorde, De heilige doop, is kort en krachtig.
1. De heilige doop wordt bediend in het midden van de gemeente door een predikant, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk.

2. De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt, vnadat het geloof door en met de gemeente beleden is.

3. De doop wordt bediend onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, met inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt.'

Artikel VII spreekt van bediening en viering van de doop (zie nr. 14). Hier alleen van bediening omdat deze ambtshandeling is voorbehouden aan de predikant. De bediening van de doop is een onderdeel van de viering waarin de gemeente belijdend betrokken is en medeverantwoordelijkheid draagt als doopgetuige. De gemeente wordt vergaderd rond het woord en de sacramenten, daarom wordt de doop in het midden van de gemeente bediend. Één van de orden uit het dienstboek wordt gebruikt, alle gemeenten gebruiken dezelfde doopformule. Dit moet omwille van de eenheid in de kerk en vanwege de erkenning van andere kerken van de bediende doop.

De doop wordt niet willekeurig bediend, er moet sprake zijn van een relatie met de gemeente en van 'begeren'. Het 'voor wie' ziet op de kinderdoop, het 'door wie' op de volwassen doop, met het woord 'of' wordt aangegeven dat beiden gelijkwaardig zijn. Het is één doop als teken en zegel van Gods genade. Gedoopt wordt er na belijdenis van het geloof te midden van de gemeente. Het gaat hier niet over de openbare geloofsbelijdenis maar over het als gemeente samen met alle heiligen belijden van het geloof. Het fundament is de doop van de Heer waardoor gelovigen zijn verbonden.

De kerkenraad is verantwoordelijk dat het dopen zorgvuldig begeleid wordt en dat de doopviering heilig wordt gehouden. Ze houdt zich hierbij aan de besluiten van de generale synode, liturgische handreikingen en pastorale adviezen.

John van der Graaf,
(Deze keer vanwege zijn en mijn vakantie niet meegelezen door ds. Wiert Sarolea.)



Deel 16

Artikel IX, Het heilig avondmaal, heeft als inhoud:
1. Het heilig avondmaal wordt door de gemeente gevierd en door een predikant bediend, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk.
2. Tot de maaltijd van de Heer zijn genodigd zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegeleid.
3. De kerkenraad bepaalt na beraad in de gemeente op welke wijze de leden op de deelname aan het heilig avondmaal worden voorbereid en tevens of de leden alleen na openbare geloofsbelijdenis aan de maaltijd kunnen deelnemen.
4. De maaltijd van de Heer wordt gevierd onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, met inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt.

Hier is het vieren door de gemeente voorop geplaatst en volgt de bediening door de predikant. Het is een gave van Christus aan de gemeente.
De Tafel staat in de gemeente en de Heer is zelf als gastheer in de tekenen van brood en wijn aanwezig. De Heer richt zijn maaltijd aan en nodigt. Niet onbeperkt, de nodiging gaat uit naar hen die Jezus Christus belijden.
Dit belijden en de instemming met de lofprijzing gaan samen. Met 'toeleiden' wordt bedoeld dat de deelname voorbereid wordt met onderricht. Met 'dit geheimenis' is aangegeven dat het onderricht niet leidt tot een rationeel begrijpen maar dat het een zaak is van met het hart geloven en met de mond belijden. Het raakt het weten, vertrouwen en handelen.

In lid 3 is een weg gevonden die gemeenten waar alleen belijdende leden toegelaten worden en gemeenten waar ook doopleden toegelaten worden beide kunnen gaan. De wijze van voorbereiden van 'de leden' is bepalend. Het wordt aan de gemeente over gelaten hoe men hier mee omgaat.
Beleidswijzigingen op dit punt moeten met de gemeente besproken worden. Omdat het Heilig avondmaal tot het hart van het gemeente-zijn behoort, vraagt dit grote zorgvuldigheid.
Met lid 4 is aangegeven dat, evenals bij de doop, het Heilig avondmaal een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad is. (zie art. V-3) In de Plaatselijke Regeling van de wijk S&L heeft de wijkkerkenraad toegevoegd: 'en zij die toegroeien naar en overwegen zich als volwassene te laten dopen'.

John van der Graaf,
Meegelezen door ds. Wiert Sarolea.

Hebt u vragen na lezing van deze artikelen over de kerkorde of wilt u reageren?
Neem dan contact op via e-mail: kerkorde@kerkbladgaandeweg.nl.



Home